Een verloren medaille Barcelona 1992


Er loopt een zweetdruppel langs de binnenkant van mijn zonnebril. Het zout bijt in mijn oog. Mijn fiets staat op punt van breken en geestelijk ben ik er al niet veel beter aan toe. Nog een trap, hooguit twee. Dan moet ik de anderen laten gaan. Het kan niet anders. Maar ik wil niet opgeven, want we zijn tenslotte op de Olympische Spelen. Wij gingen hier in Barcelona een medaille winnen en niet via de zijdeur naar huis. Ik zet weer voorzichtig druk op het pedaal, maar de losgelopen linkercrank tikt tegen mijn frame. Voor me rijden drie broodmagere jongens in het oranje. Mijn strijdmakkers met wie ik alles heb gedeeld en die ik nu bijna niet meer kan volgen. Ik doe nog een kopbeurt en pers alles uit mijn lijf.

Het is 26 juli 1992.

Ik denk aan alle trainingsuren en opofferingen die we hebben gedaan. Maar in mijn achterhoofd knaagt de gedachte dat in twaalf maanden tijd alles naar de kloten is gegaan. De hechte ploeg die het jaar voordien in Stuttgart zo fier als vijfde eindigde op het wereldkampioenschap is een groepje angsthazen geworden die elkaar en de buitenwereld allang niet meer begrijpen. Eigenlijk waren onze Olympische Spelen al mislukt voor we een trap op Spaanse bodem hadden gedaan. Een gedachte die meer pijn doet dan mijn verzuurde benen. Nog een keer aanzetten en dan is het over. Ik buig mijn hoofd en stuur met een diepe zucht naar rechts. Weg van de groep, ditmaal definitief.

Uit de speaker van de volgwagen hoor ik bondscoach Piet Kuys hysterisch schreeuwen. Geen idee wat, want ik luister niet. En als ik eerlijk ben kan het me ook geen reet schelen wat hij brult. Wat een glorieuze afsluiting van ons teamproces had moeten worden, blijkt een deceptie van olympische omvang. Op de autopista van Barcelona naar Montmeló eindigt mijn droom en zie ik in de verte een oranjetreintje steeds kleiner en waziger worden. Het is voorbij en daar ben ik eigenlijk best blij om.

VEREERD
April 1991. Anderhalf jaar eerder. Een telefoontje van mijn ploegleider Marc van Rooy. Bondscoach Piet Kuys heeft gebeld met de vraag of ik interesse heb in een plekje in de ploeg voor de 100 kilometer ploegentijdrit. Natuurlijk ben ik vereerd, en eerlijk gezegd: helemaal verrast door het verzoek ben ik niet. Dit seizoen won ik al de tijdritten in de Ster van Brabant en de Teleflex Tour, dus dat Kuys bij mij zou aankloppen, leek een kwestie van tijd. Het gaat namelijk niet goed met de nationale tijdrittrots. Het viertal Antoine Goense, Rober van der Vin, Richard Luppes en Eric Knuvers belandde het jaar voordien tijdens het WK in het Japanse Utsunomiya op een beschamende achttiende plek. Slechts één plaats voor Mongolië en tien minuten achter de zegevierende Russen. In de laatste vijf jaar werd niet een keer een toptien positie gescoord door een oranjekwartet. En dus besluit Vlijmenaar Kuys, die net een seizoen daarvoor is gepromoveerd van junioren- tot amateurcoach, het over een andere boeg te gooien. Want waar hij normaliter vooral uit zijn eigen nationale Amev-selectie put, komen nu ook buitenstaanders in aanmerking voor het loodzware onderdeel.

In een gesprek geeft Kuys aan dat er een open selectie is en ik zeker nog niet op een basispositie hoef te rekenen. Er dient namelijk wekelijks in de Flevopolder te worden gestreden om een plaatsje in het team. Fair enough. Trouw meld ik me iedere woensdagmiddag in hotel Ambt van Nijkerk, vanwaar we onder leiding van assistent-bondscoach Nico van Hest met een man of twaalf aan de slag gaan. Van Hest, Brabander en van oorsprong crosstrainer, weet al snel een viertal te formeren dat sterker blijkt dan de andere teams. In die basisopstelling is er naast mijzelf plek voor regerend nationaal kampioen tijdrijden Bart Voskamp, stoemper Jans Koerts en Jaap ten Kortenaar, de vreemde eend in de bijt. Ten Kortenaar is namelijk geen echte wielrenner. Goed, hij kan loeihard trappen, maar een bocht nemen of in een peloton fietsen lukt hem niet. Het leidt tijdens trainingen echter nooit tot lastige situaties, aangezien ons veertig kilometer tellende trainingsrondje nabij Almere welgeteld één scherpe bocht bevat.

De broer van schaatser Marnix ten Kortenaar wordt door de KNWU-coaches vanwege zijn hardrij-capaciteiten gedoogd. Maar zowel Van Hest als Kuys hebben moeite met de excentrieke basisschoolleraar. Ten Kortenaar is recalcitrant, wast zijn haren nooit, loopt in vale shirts en maakt zijn fiets ook zelden schoon. In de wielersport is dat een doodzonde. Toch gaat hij in mei mee naar de eerste echte beproeving: een internationale ploegentijdrit nabij Rome.

ACCEPTEREN ELKAARS ZWAKTES
Het heuvelachtige parcours is voor niet-klimmer Jans Koerts te lastig, waardoor een toppositie er nooit inzit. Van paniek is na de magere prestatie in Italië echter geen sprake. Het parcours van ons grote doel, het WK in Stuttgart, is zo vlak als een biljartlaken. Van Hest doet er dan ook alles aan om ons gerust te stellen en met kleine complimentjes te motiveren. En dat werkt. We groeien ondanks onze totaal verschillende karakters steeds verder naar elkaar toe. We accepteren elkaars zwaktes en koesteren elkaars sterke punten. Zowel op als naast de fiets. Tijdens de wekelijkse trainingsdagen wordt veel gelachen en als we er even doorheen zitten, wijst Van Hest naar schilders die de pui van het hotel onder handen nemen. ‘Denk je dat zij altijd zin hebben? Jullie hebben een wereldleven.’

In juli is onze volgende testcase en die gaat beslissen of onze ploeg intact blijft. Want hoewel we nu al een maand of drie in dezelfde formatie trainen, zijn er kapers op de kust. Met name de Groningse jongeling Pelle Kil en de Drent Erik Dekker zijn kandidaten om een falende basisrenner onmiddellijk te vervangen. Het decor is het Friese Kollum, waar enkele internationale landenploegen het ons lastig moeten maken. Het is noodweer en ik rijd vanaf kilometer één als een krant. Mijn kopbeurten zijn kort en ik kom tijdens de race nooit op mijn normale niveau. Ik moet zelfs beurten overslaan en ben opgelucht dat ik er niet voortijdig afgeknald word. Een 100 kilometer ploegentijdrit is een loodzwaar onderdeel, zeker als je de minste van de ploeg bent. Het is geestelijk ondragelijk als je al na tien minuten weet dat je de rest van de rit gaat afzien als een beer.

Ondanks mijn offday winnen we de wedstrijd. Ruim voor het Nederland B van onze concurrenten. Toch knijp ik hem na afloop flink als we de nabespreking hebben. Van Hest steekt mij een hart onder de riem en spreekt van een puike teamprestatie. Met gemengde gevoelens rijd ik terug naar mijn woonplaats Rotterdam, maar de dag nadien komt het verlossende telefoontje. Ik mag mijn koffer pakken voor het WK.

De aanloop naar de wedstrijd van het jaar verloopt bijzonder goed. Het vertrouwen dat eerder in Koerts en nu in mij is uitgesproken, geeft ons de moraal die het team nodig heeft. Daarnaast groeien we van collega’s naar vrienden. We zoeken elkaar ook buiten de wekelijkse trainingen op, rijden veel koersen samen en praten veel aan de telefoon. Scenario’s worden doorgenomen en iedereen probeert punten te vinden waarop we kunnen verbeteren. Zo besluiten we gezamenlijk drankhouders te kopen die we onder het zadel kunnen monteren, zodat we via een rubber slangetje dat via ons frame naar het stuur loopt, kunnen drinken zonder de handen te gebruiken. Voor kluns Ten Kortenaar natuurlijk een prima hulpmiddel, maar vooral een teken dat we er honderd procent mee bezig zijn.

WE ZIJN EEN, MAAR NIET HETZELFDE
Langzaam begint er geloof in een goed resultaat op Duitse bodem te ontstaan. Een toptien positie moet mogelijk zijn. One van U2 wordt ons strijdlied. We zijn een, maar niet hetzelfde. En dat klopte als een bus. Dat we ondertussen zo met elkaar vergroeid zijn dat de heersende normen en waarden in de wielersport langs ons heengaan, merken we op het WK. Het verschil tussen de groep die de wegwedstrijd rijdt en ons ploegje vrijbuiters is immens. Aan onze tafel wordt vooral gelachen om flauwe grappen, die bijna altijd ten koste van anderen gaan, terwijl bij onze collega’s over wielrennen, wielrennen en nog meer wielrennen wordt gesproken. Dat wij friet bestellen en cola drinken in plaats van water, zorgt voor scheve gezichten. Maar zo vlak voor een belangrijke koers gaat daar natuurlijk niemand echt moeilijk over doen.

Op de dag van de wedstrijd ben ik nerveuzer dan ooit. Nadat het licht in de parkeergarage uitvalt terwijl ik net op een losse rollerbank een sprintje trek, is die spanning weg. Dat ik me in het pikkedonker niet te pletter val is een godswonder. Dus wat kan er vandaag nog misgaan? Op weg naar de start spreekt niemand. Alleen reserve Pelle Kil probeert de stemming erin te brengen, maar hij krijgt geen bijval. Er is focus en discipline.

NERGENS VERVAL
Het parcours in Stuttgart is simpel. Een compleet vlakke snelweg met vier keerpunten. Het begin is voorzichtig, maar het tempo zakt nooit onder de vijftig kilometer per uur. Opvallend genoeg blijkt Bart Voskamp, die nooit onder de maat presteert, vandaag de minste van het team. Het nekt hem niet omdat Koerts,Ten Kortenaar en ik langere kopbeurten draaien. Er is dan ook nergens verval en na 75 kilometer vindt Voskamp zijn goede benen terug. In een razende vaart – later blijkt dat geen enkele ploeg het laatste kwart van de wedstrijd sneller reed – knallen we richting Stuttgart. Bij de passage van de finish hebben we de tweede tijd achter Noorwegen. Snel rekenen leert dat we waarschijnlijk rond de tiende stek gaan eindigen, maar vrijwel alle landen bijten zich stuk op ons eindschot. Slechts drie landen, Italië, Duitsland en Polen, halen onze tijd, waardoor we als vijfde van de wereld dat jaar de boeken ingaan.

Na afloop is iedereen gesloopt, maar is de vreugde minstens even groot. Vijfde op het WK hadden wij zelfs niet durven dromen en het allermooiste van dit prima resultaat: we zijn geplaatst voor de Olympische Spelen, het jaar nadien in Barcelona. En laten we eerlijk zijn: we zijn meteen ook een serieuze medaillekandidaat. Want waar alle landen al jaren als geoliede machines rondrijden, zijn wij nog maar een paar maanden samen bezig.

GEEN WERELDPRESTATIE
Bij thuiskomst wacht echter een verrassing. Bondscoach Kuys heeft zich tegen diverse media nogal opmerkelijk uitgelaten over onze wedstrijd. ‘Ik ben blij, maar laten we niet uit het oog verliezen dat dit absoluut geen wereldprestatie is’, tekent De Telegraaf op uit de mond van de nationale keuzeheer. Het is een klap in ons gezicht en naar later blijkt het eerste haarscheurtje in een potentiële olympische medaille.

Dat najaar stopt volkomen onverwacht mijn sponsorploeg Datelnet. Het lijkt mij dan ook niet meer dan logisch dat Kuys mij opneemt in de nationale Amev-selectie, zeker omdat we toch het hele traject richting Barcelona moeten samenwerken. Toch pakt hij andere renners en adviseert mij bij een club te gaan rijden. Ik kies echter voor het ijzersterke Koga Miyata, dat al eerder naar mijn diensten hengelde. Dit tot ongenoegen van Kuys, die vindt dat met ploegleider Egbert Koersen niet valt te werken. Ik begrijp helemaal niets van dit gecreëerde probleem, wat nooit was ontstaan als Kuys me had opgenomen in de nationale ploeg. Daar rijden inmiddels Voskamp en Kil ook.

DRUK OP DE KETEL
Met een nieuw team en een prachtig olympisch vooruitzicht begint 1992. Jans Koerts is overgestapt naar de professionals van PDM en mag dus niet op de Spelen meedoen. Op zich geen ramp gezien het lastige parcours nabij de Catalaanse hoofdstad. Zijn logische vervanger is youngster Kil, die het jaar voordien al dicht tegen de basisploeg aanzat. In juni wordt na het NK tijdrijden plots een buitenstaander aan de ploeg toegevoegd. Tukker Jos Wolfkamp, eigenlijk al een routinier, moet samen met ‘wegrenner’ Erik Dekker, voor wat meer druk op de ketel zorgen.

Dat werkt, maar niet in positieve zin. Er ontstaan kleine machtsspelletjes, waarbij het wij-gevoel van de vier vaste waarden zorgt voor de verkeerde homogeniteit. Tijdens trainingsdagen wordt er stiekem versneld als een van de nieuwkomers achteraan moet aanpikken, er worden demotiverende speldenprikken uitgedeeld en er ontstaat onrust over de hiërarchie in het team.

OLYMPISCHE MISSIE
Het vertrouwen, dat de begeleidingsstaf voorheen zo duidelijk liet blijken, lijkt met de week kleiner te worden. Onze luchtigheid wordt in dit belangrijke olympische jaar plots gezien als een last, in plaats van een zegen. Met name Ten Kortenaar, die tot op dat moment redelijk zelfverzekerd rondrijdt, begint steeds meer te twijfelen aan de olympische missie en zijn rol in het geheel. Voor de trainingen, die nog immer in het doodsaaie Almere worden gehouden, zegt hij steevast ‘dat we elkaar niet naar de kloten moeten rijden’ en dat we ‘pas in Barcelona goed moeten zijn’.

Het haalt meer en meer de spirit uit het team en lijfsbehoud lijkt zo kort voor de Spelen het voornaamste doel voor ons alle vier te worden. Ook de rol van vertrouwensman Van Hest wordt kleiner nu het uur U nadert. Hij krijgt namelijk geen accreditatie voor de Spelen. Kuys neemt de touwtjes steeds steviger in handen en dit werkt averechts op ons team, waar vrijheid blijheid de lijfspreuk is geworden. Daarnaast zijn de nieuwe fietsen – die volgens de wielerbond in totaal honderdduizend gulden kosten en ons dus zeker tijdwinst zullen geven aangezien we tijdens het WK nog op tijdritmateriaal reden uit het midden van de jaren tachtig – een maand voor de Olympische Spelen nog steeds niet geleverd. Kleine irritaties worden in deze periode grote problemen, waarvoor niemand echt een oplossing vindt.

Een maand voor ‘Barcelona’ barst onvermijdelijk de bom. Onze voltallige ploeg neemt deel aan het NK baanwielrennen in Alkmaar. We kijken met een schuin oog naar de pistiers, die hun olympische kledingpakket al hebben ontvangen en er trots mee rond paraderen, terwijl in ons team alleen het begeleidend personeel zeker is van de trip naar Spanje. En dat enkele weken voor de Spelen.

AFSLUITDIJK SABOTAGE
Tijdens het achtervolgingstoernooi bereikt Voskamp de strijd om het brons. Maar die mag hij van Kuys niet rijden, omdat er op die dag een fietstocht naar Groningen staat gepland. Enkele dagen na de titelstrijd op de baan is er een internationale ploegentijdrit in Leek, die door Kuys als belangrijkste vorm-peilmoment wordt gezien. Balend en gefrustreerd stappen we op de fiets voor een tocht door wind en regen. Iedereen rijdt met de pest in het lijf. Midden op de Afsluitdijk besluiten we de vader van Kil te bellen, met de vraag of hij ons met de auto op zou kunnen halen.

Het saboteren van de trainingsrit is een ferme middelvinger naar de begeleiding en een laatste poging om het groepsgevoel van 1991 weer boven te brengen, waar we dit soort geintjes wel vaker flikten. In de middag bekijken we met chips en cola een bergrit in de Tour de France en rond een uur of vijf fietsen we op het gemak naar ons hotel in het Drentse Roden. Het valt verzorger Sjef van Engelen meteen op dat onze kilometertellertjes allemaal op nul staan en nog voor het avondeten verlullen we onszelf schaterlachend.

De begeleiding is not amused en nog diezelfde avond wordt het spel hard gespeeld. De bottomline is: wie tijdens de tijdrit in Leek de minste van de ploeg blijkt, kan de Spelen vergeten. En hoewel Wolfkamp nog geen meter in een oranjepak heeft gekoerst, mag hij de vrijgekomen plek innemen. Het zet de relatie tussen de renners en coach nog verder op scherp.

GEBROKEN VOORVORK
Gelukkig zijn de Batavus-carbonfietsen inmiddels gearriveerd, wat voor een lichtpuntje in onze gemoedstoestand zorgt. Een dag later vergaat het lachen ons echter snel als mijn voorvork tijdens een training finaal afbreekt. Gelukkig kom ik er met slechts wat schaafwonden vanaf, maar de schrik zit er goed in.

Tijdens het avondeten vertelt Kuys dat er vanuit de wielerbond is gesproken met sponsor Batavus en dat er niets van het ongelukje naar de pers mag lekken, tot duidelijk is wat de breuk heeft veroorzaakt. Voor Ten Kortenaar, groot liefhebber van oerflauwe treiterij, de reden om na een telefoongesprek met zijn vrouw bloedserieus de eetzaal binnen te lopen met de vraag: ‘Bert Wagendorp van de Volkskrant wilde even weten wáár de vork nou precies gescheurd was.’ Mecanicien Jaap de Wit explodeert en dreigt Ten Kortenaar neer te slaan als hij ‘nog een keer zijn mond opendoet’. Die avond wordt er niet meer gesproken.

WEG MET DE MINSTE WEERSTAND
De dag van de koers komen we zonder reserve Wolfkamp in de ochtend bijeen op de kamer van Voskamp. Er moet iets gebeuren, want de sfeer is om te snijden en niemand wil op het laatste moment de olympische boot missen. We besluiten voor de weg met de minste weerstand te kiezen. Ons niveau is wel zo goed dat een koers op 80 procent ook wel tot een voor Kuys acceptabele tijd zal leiden. De voornaamste opdracht op Groningse bodem is dan ook: niemand lost. Eén voor allen, allen voor één. Tijdens de race komt geen van ons in de problemen. We rijden nog net niet lachend rond.

Het feit dat de organisatie het parcours niet goed heeft uitgemeten zorgt ervoor dat we met een waardeloze tijd van 2 uur en 3 minuten toch ruimschoots voldoen aan de NOC-limiet. Dat we op het laatste WK een kleine vijf minuten sneller waren, lijkt niemand te deren. Prima. Direct na afloop roept Kil ietwat geforceerd tegen de NOS-camera dat we ‘alle vier gelijk waren’. Ons pact is gelukt, maar echt trots zijn we er niet op.

Na afloop van de generale repetitie in eigen land heerst eerder opluchting dan blijdschap. We gaan naar Barcelona, maar daar is dan ook alles mee gezegd. De strijd om het felbegeerde olympische ticket, drie weken voor het belangrijkste moment in onze wielercarrière, is beslist na een gemanipuleerde Russische roulette. Dat heeft zijn tol geëist. We zijn geestelijk leeg en vooral blij dat die olympische koffer in de gang staat. Bovendien lijkt de beslissing om solidair te zijn als ploeg vooral goed te zijn uitgepakt voor Ten Kortenaar. Die profileert zich na afloop als de beul van de groep, maar moest in werkelijkheid na iedere bocht op het lastige parcours rond Leek de rol lossen.

Langzaam begint het te knagen dat we, zeker omdat de start en finish op het autocircuit van Catalunya plaatsvinden en er dus een tiental bochten driemaal moet worden genomen, misschien toch beter af zou zijn met Wolfkamp, die nu in Nederland achterblijft.

ZONDER DOPING GEEN MEDAILLE
Een week voor onze race reizen we naar Barcelona. We zijn de eerste medaillekandidaten die voor Nederland in actie komen, dus alles is voor de journalisten nieuws. Zeker wanneer de strekking doping is en we, volgens Ten Kortenaar ‘zonder doping eigenlijk geen medaille kunnen winnen’.

De rest van de groep zegt er niets van, maar de focus slaat ongemerkt om. In plaats van ons te richten op onze kwaliteiten, beginnen we steeds meer te twijfelen over onze tekortkomingen. Wij hebben inderdaad niet zulk supermateriaal als Amerika of zulke goede medische begeleiding als Italië. Dat we dat een jaar geleden ook niet hadden en ‘op een slof en een oude voetbalschoen’ toch in de topvijf eindigden, zijn we op dat moment al vergeten. Wanneer we als ploeg in een interview met de NOS voor het oog van de vaderlandse bevolking voor de laatste training fel discussiëren over het wel of niet gebruiken van een dicht voorwiel, inclusief persoonlijke aanvallen, zijn we het lachertje van de oranje-equipe.

In het Olympisch Dorp krijgt met name Ten Kortenaar het flink voor zijn kiezen. Tijdens de trainingen geen bocht op het autocircuit kunnen volgen en dan wel grappig doen tijdens een tv-reportage? Bondscoach Kuys lijkt dan allang afgehaakt en te hopen op een wonder. Net zoals dat groepje rare snuiters een jaar voordien ook plots de geest kreeg. Er is echter een verschil: degene die onze neuzen weer dezelfde kant op kon krijgen, assistent Van Hest, zit thuis in het Brabantse Alphen.

In de vroege ochtend van 26 juli vertrekken we voor onze 100 kilometer op olympische grond. Tijdens de eerste ronde op het circuit, waar we na vijftig kilometer terugkomen voor eenzelfde toer, moeten we iedere bocht wachten op Ten Kortenaar. Reserve Erik Dekker hand-klokt een verlies op de achter ons gestarte Russen van 45 seconden na iets minder dan vijf kilometer. Dodelijk op topniveau.

HET IS VOORBIJ
Eenmaal op de autopista A-17 begint de machine toch weer te draaien en smelten vier ego’s samen, maar het gevoel van Stuttgart ontbreekt. Wanneer na de tweede passage mijn rechterbeen plots naar buiten begint af te wijken, merk ik dat er iets niet in de haak is. Ik duw mijn crank naar binnen en voel speling. Een kwartiertje later is kracht zetten bijna onmogelijk en zie ik mijn trapas los in mijn frame, dat aan de onderkant volledig uitgescheurd is. Na het laatste keerpunt in het centrum van Barcelona moet ik de andere drie renners laten gaan. Het is voorbij en daar ben ik eigenlijk best blij om.

De auto van bondscoach Kuys passeert mij zonder een bemoedigende toeter of aanblik. Ik word voorbijgeraasd door de vier achter ons gestarte teams en opgeveegd door de bezemwagen. Fietsen lukt namelijk niet meer. Mijn collega’s finishen uiteindelijk als negende, wat zeker gezien de mechanische tegenslag, niet eens zo beroerd is. Op het circuit van Catalunya wemelt het na afloop van de journalisten, maar niemand van ons kan wat zeggen. Niemand wil ook iets zeggen, want de frustratie en schaamte zorgen ervoor dat we voor het eerst niet het hoogste woord hebben na afloop van een tijdrit.

ONGENUANCEERDE REACTIE
Een uurtje later doe ik mijn verhaal aan de tv-ploeg van de NOS en de kranten. Inmiddels heeft ook KNWU-voorzitter Joop Atsma gereageerd. Hij begrijpt niet dat ik niet van fiets ben gewisseld. Wat de Fries niet vertelt, is dat de enige reservefiets die op het dak van de volgauto stond, perfect op de maat van reserve Erik Dekker was afgesteld. Het interesseert me niet en heb ook geen zin om mezelf te verdedigen. Wanneer ik een dag later de kranten opensla staat nergens vermeld dat mijn fiets is gescheurd. Overal wordt gesproken van een gebroken crank of ander te billijken defect. Batavus-directeur Mart Meeuwsen bakt het nog bruiner door in Sport International te vertellen dat het waarschijnlijk ging om een ‘montagefout van de mecanicien en de ongenuanceerde reactie van een teleurgestelde renner’.

Vier jaar later wordt de 100 kilometerploegentijdrit van het olympisch programma geschrapt en vervangen door de individuele tijdrit. Er komt dus nooit kans op revanche. Voskamp, Kil en ik worden beroepsrenner. Ten Kortenaar rijdt alleen nog wat clubkoersjes, waarbij hij zich vooral de woede van veel collega-renners op de hals haalt met zijn gemankeerde bochtentechniek.

Nu exact twintig jaar later komt de ploegentijdrit terug. Tenminste: als WK-onderdeel en voor merkenploegen. Voor ons, inmiddels veertigers, komt deze revival te laat. Onze kans lag ooit op het broeierige asfalt van Barcelona. De medaille die vurig was gewenst, maar die ergens onderweg op de vlakke polderwegen van de Flevopolder al roekeloos werd verloren.

Comments are closed.