‘Een verhuurschuur waar publiek geld verspild wordt’ FUCK SUBSIDIE!


Poptempels moeten wel sluiten zonder de steun van de overheid, luidt de klaagzang van veel beheerders. De praktijk is anders; miljoenen euro’s worden over de balk gesmeten aan bedrijfsuitjes en iPhones voor alle medewerkers. Maar er zijn ook clubs die goed draaien zonder subsidie.

Marie-José (22) bestelt aan de bar een raket-ijsje. ‘Kost maar één muntje’, zegt ze lachend. Ze neemt een flinke hap en wiegt tegelijk met haar heupen op een vrij doffe beat die door de grote zaal van cultuurpodium Perron dwaalt. De Hoogvlietse komt hier bijna ieder weekend. Niet om een speciale reden, maar puur omdat ze de ‘sfeer zo relaxed vindt’. Perron draait – in tegenstelling tot veel andere cultuurpodia – volledig op eigen kracht. En dat is in een periode van kommer en kwel in deze sector vrij uniek. De club richt zich namelijk op een kleine, maar hondstrouwe niche-doelgroep: het underground danspubliek. En dat loont, want zonder een euro subsidie, draait de zaak sinds de opening in 2011 als een trein. Het verdienmodel van haar favoriete uitgaansplek zal de blonde Marie-José verder een zorg zijn. ‘Ik kom hier om te dansen en los te gaan. Het maakt mij geen zak uit wie het betaald. Zolang de raketjes maar niet duurder worden.’

Stampend vol
Perron is gevestigd in een oud overslaggebouw van PTT Post en zit ietwat verscholen achter het Rotterdamse Centraal Station. Er staat geen naam op de pui. Een enorm rolluik vol graffiti is de kleurrijke, maar onopvallende ingang van het gebouw. Er is weinig glitter en glamour te vinden in het pand aan de Schiestraat, waar de club zich voor onbepaalde tijd mag vestigen. De look en feel is strak en industrieel. In alle zalen vormen tegen de wand geplaatste oude sofa’s en eikenhouten meubelen het karige, maar charmante decor. ‘De vader van een van onze barjongens werkt in een kringloopwinkel’, zegt mede-initiatiefnemer Marc Zee over de opmerkelijke interieurkeuze, terwijl hij trots door de zaak wandelt. ‘Zo hebben we voor weinig geld prima zitbanken en als er een pilsje overheen valt, staat er de dag nadien gewoon een andere.’

Vanavond kunnen de ravefans hun hart ophalen in Perron, want met de Amerikaan Dustin Zahn komt er een uitstekende techno-dj naar de club. Rond een uur is het dan ook stampend vol in de zaak, die Zee iets meer dan een jaar geleden met zijn partner Aziz Yagoub begon. Jongens met donkere zonnebrillen en meiden in strakke spijkerbroeken en met kleurrijke sneakers vullen de dansvloer. Veel ogen zijn gesloten en lichamen reageren louter op de beats uit de speakers. ‘Goed programmeren is het allerbelangrijkst’, vertelt de 30-jarige Rotterdammer Yagoub zelfverzekerd over het succes van de club. ‘Mensen met verstand van de scene maken het verschil tussen een goede uitgaansgelegenheid en een verhuurschuur waar alleen maar publiek geld verspild wordt.’

Valse concurrentie
De toon is direct gezet. Yagoub heeft het niet zo op gesubsidieerde initiatieven die in zijn vijver vissen. In de verschillende zalen hangen zelfs posters met de aankondiging voor Subsidie Praktijken, een feest als symbolische middenvinger naar gemeentelijk wanbeleid en de daaruit volgende valse concurrentie. ‘Kijk, dat een relatief kleine stroming als jazz subsidie krijgt, kan ik begrijpen. Maar ik concurreer al jaren met instellingen die met gemeenschapsgeld tot in de late uren dance-acts programmeren. Dat vind ik belachelijk. De muziek- en dancecultuur heeft echt geen tonnen overheidsgeld nodig om te kunnen functioneren.’

Met geflopte initiatieven en faillissementen van onder meer Nighttown, Waterfront, Heidegger, WATT en Exit is het imago van de Rotterdamse uitgaansscene volgens Yagoub flink geschaad. ‘Ik zit nu al dertien jaar in de horeca en heb van al die subsidietrekkers, veruit de meesten zien verdwijnen. Gelukkig is de tendens nu aan het veranderen. En dat is maar goed ook. Ik ben ondernemer en heb geen tijd en zin om ellenlange subsidieverzoeken te schrijven of te sjoemelen met uurtje-factuurtje-werk.’

Yagoub doelt onder meer op het door de politiek geïnitieerde urban-podium De Nieuwe Oogst in de Maashaven, dat ondanks een subsidie van zeven ton al jaren zwaar verlies draait. ‘Er worden daar werkelijk miljoenen euro’s verbrand en de ambtenarij heeft geen benul wat er gaande is. Een progressieve popzaal die alleen de Top 40-acts Gers Pardoel en De Jeugd Van Tegenwoordig uitverkoopt, maar wel iedere werknemer een iPhone van de zaak geeft en bedrijfsuitjes naar Londen organiseert. Daarvan zakt echt mijn broek af. Maar zo is het in meer culturele non-profitorganisaties. Als een onafhankelijke onderzoekscommissie de integriteit van sommige instellingen zou toetsen, komen er heel veel lijken uit de kast, kan ik je verzekeren. Subsidie is vaak een ordinair witwasprogramma.’

Een leidinggevende medewerker van De Nieuwe Oogst, die niet bij naam genoemd wil worden, beaamt het verhaal van Yagoub. ‘Laat ik het zo zeggen: in al mijn jaren in de horeca is dit niet bepaald het beste bestuur dat ik ooit meemaakte. Er was vooraf vijftien miljoen uitgetrokken om het project op te starten. Twee jaar later was er nog niets ondernomen, maar al wel vier miljoen verdwenen, zonder dat iemand kon uitleggen waar dat geld precies was gebleven. Daarnaast is de locatie natuurlijk waardeloos. Niemand heeft zin om vanuit het centrum de brug naar Zuid over te komen voor concerten of dance-avonden, dat was al snel duidelijk. Vorig weekend hadden we een topact als AraabMuzik en daar komen dan honderd man op af. Dat zegt genoeg. De Nieuwe Oogst is echt een plan van gemeentelijke bestuurders dat tien jaar geleden op de tekentafel is ontstaan, maar waar niemand meer op zat te wachten of in geloofde. Jammer, want met een goede locatie en capabele directie had het best wat kunnen worden. Er wordt nu al langzaam afgebouwd. Het is alleen nog wachten op het faillissement.’

Dick Pakkert is eigenaar van Rotown en De Unie. Clubs die het, mede met de hulp van een flinke kluit subsidie, wél prima doen. Toch heeft de geboren Tukker namens een aantal poppodia een brandbrief naar de Rotterdamse cultuurwethouder Antoinette Laan gestuurd om aandacht te vragen voor de penibele situatie waarin een aantal clubs zich momenteel bevindt. De programmafolder van Rotown toont deze maand zelfs een rouwadvertentie vanwege het ‘overlijden’ van de Rotterdamse popsector. ‘Popmuziek wordt simpelweg niet als kunst gezien, dat is nu wel duidelijk. Poppodia kosten de overheid helemaal niet zoveel geld, omdat de meesten met de horeca-inkomsten zichzelf best goed kunnen bedruipen. Toch wordt op onze sector maar liefst zestig procent gekort. Theater en klassieke muziek hoeven bijvoorbeeld maar rond de twintig procent in te leveren. Dat kan toch niet?’

Pakkert lacht de provocaties van Perron-uitbater Yagoub weg en vindt zijn houding zelfs hypocriet. ‘Aziz is echt een zeikneus. Hij heeft makkelijk praten. Perron betaalt bijna geen huur, dus dat is gewoon een verkapte vorm van subsidie. Ik vind het een beetje zielig om je dan zo openlijk af te zetten tegen een sector die het nu heel moeilijk heeft.’ Volgens Yagoub is dit onzin, omdat Perron niet door de gemeente wordt gematst, maar een contract heeft met een stadsontwikkelaar. ‘Bovendien heb ik er voor tonnen in verspijkerd, terwijl ik totaal geen zekerheid heb tot wanneer Perron op deze locatie mag blijven.’ Toch zijn de kibbelende partijen het over veel zaken absoluut eens. Ook Pakkert ziet door de gemeente geforceerde initiatieven niet zitten en pleit voor meer steun aan hardwerkende en welwillende vakmensen. ‘Alles valt of staat bij goed ondernemen door creatievelingen. Adviezen van beleidsmakers zijn vaak goed bedoeld, maar geven geen enkele garantie op succes. Het gaat om gevoel. Soms moet je de bar dichtgooien tijdens een akoestisch concert. Dat kost geld, maar zorgt er ook voor dat concertgangers graag naar je toe komen. Een muziekpodium moet worden gedragen door mensen met visie en hart voor de zaak. Niet door partijen die ergens ‘opgezet’ worden. Dat gaat onherroepelijk mis. Dat heeft het verleden nu wel uitgewezen.’

Geen idealist
Iemand die zeker hart voor zijn zaak heeft, is Klaas Beumer. Zes jaar lang was hij opzoek naar de perfecte locatie voor een progressieve muziekplek in de hoofdstad. Hij sprak in New York en Milaan met mensen van Blue Note om een franchise op te zetten van de befaamde jazzclub, maar besloot uiteindelijk met het North Sea Jazz Festival in zee te gaan. Begin mei is opende de North Sea Jazz Club op het terrein van de Westergasfabriek haar deuren. Een chique pand met al even gestileerd interieur met veel rood pluche, een puik geluidssysteem en een peperdure lichtinstallatie. En zonder een piek van de belastingbetaler. Vergelijk dat met de driejaarlijkse subsidie aan het Bimhuis (€1.309.975) en Paradiso (€751.475).

Het publiek dat in de North Sea Jazz Club rondhangt is divers. Marleen (25) gaat meestal naar Paradiso of De Balie, maar heeft zin in een nieuwe scene. ‘Ik vind de combinatie vooral erg leuk. Alleen een concertje kijken is ook maar wat. Ik vind het leuk om achteraf ook flink door te kunnen zakken aan de bar en dan wordt je er bij de meeste podia toch al snel uitgeveegd.’ Volgens Beumer is dit precies de formule die zijn club uniek maakt. ‘In Amsterdam heb je geen enkele zaak waar je op niveau kunt eten, een goede bar is én je topmuziek kunt luisteren. Noem het een New Yorkse jazzbeleving in een Amsterdams jasje.’

Beumer heeft niet bepaald de gemakkelijkste muziekstromingen uitgekozen, maar volgens hem ligt de sleutel van het succes in de diversiteit van het aanbod. ‘We wisselen heel erg af. De programmering varieert van pop, zoals vanavond met de hiphop van Postmen, soul, funk en dj’s tot het echte jazzpubliek, waarbij we ook dinersessies aanbieden. Zo bespeel je verschillende markten.’

Ondanks de progressieve programmering van de North Sea Jazz Club kwam het bij Beumer niet eens op om subsidie aan te vragen. Volgens de 44-jarige ondernemer is een goed businessmodel veel belangrijker dan een waterdicht subsidieverzoek. ‘Er zijn hier in de stad maar een tiental instellingen die jarenlang hun subsidie weten te behouden. Dat is dus geen basis om mee te beginnen. Wij hebben daar dan ook geen enkele rekening mee gehouden. Wij mikken op drie vormen van inkomsten: het café-restaurant voor de toeloop uit de buurt, de bezoekers aan concerten en de verhuur van onze zaal als we zelf niets op het podium hebben staan.’

Beumer snapt dat veel clubs moeilijke tijden doormaken. Maar volgens de Amsterdammer is meer subsidie niet de oplossing. ‘Als je een model hanteert, wat uitgaat van een groot deel subsidie, maak je jezelf kwetsbaar. Zo’n btw-verhoging bijvoorbeeld, is dan direct killing. Maar ook dit is geen risicoloze onderneming. We zitten er met een aantal partners met flink wat centjes in. Ik heb vooraf heel goed nagedacht of ik iets kon toevoegen aan het cultureel landschap in Amsterdam en of dat winstgevend kon zijn. Ik ben natuurlijk geen idealist.’

Toffe setting
Perron-eigenaar Yagoub gelooft ook in een zelfregulerende markt, waarbij het publiek uiteindelijk weer de trends bepaalt. ‘Betalende bezoekers komen niet voor ‘kunst’. Die willen gewoon in een toffe setting lam worden en tot diep in de nacht feesten. Maar het uitgaanspubliek is de laatste jaren ook geëvolueerd. Ze hebben oog voor kwaliteit en passie en zijn trouwer dan ooit. Ik merk steeds meer dat alles waar een gemeentelijk luchtje aan zit wordt gemeden. Daarom is Perron een succes. Een aantrekkelijk uitgaansklimaat kun je namelijk niet kopen.’

John den Braber
Foto’s: Milan Vermeulen

Laat een bericht achter