Lang stond hij bekend als die rare snuiter met die grote bril. Die tijden zijn voorbij. Met Heavy Flowers heeft zanger Blaudzun de stap naar het grote publiek gemaakt. ‘Nu kennen alle schoonmoeders van Nederland me.’
Hij moet nog heel even volhouden. Het nummer Jezebelle is bijna afgelopen, maar Johannes Sigmond heeft het zichtbaar moeilijk. Hij oogt witjes, heeft zijn ogen dichtgeknepen en de zweetdruppels glijden langs zijn wangen naar beneden. De zang is echter nog loepzuiver en iedere uithaal lijkt evengoed met gemak te worden gehaald. Nadat hij de laatste noot er met een ultieme krachtsinspanning uitperst, stapt hij naar de zijkant van het podium van het Rotterdamse poppodium Rotown en barst in een verwoestende hoestbui los. Het publiek krijgt hier niets van mee en klapt terwijl de band het outro speelt, de handen stuk Muziek draait bij Blaudzun om schoonheid en finesse. Niets mag de magie van een mooi liedje verstoren. Ook een grieperige leadzanger niet.
Allesbehalve jofel
Een dag eerder. Dik ingepakt verschijnt Sigmond rond vier uur in de middag bij de Effenaar, waar hij die avond op de planken staat. De 37-jarige zanger voelt zich alles behalve jofel, maar piekert er niet over om de show af te zeggen. Blaudzun heeft namelijk net zijn derde album Heavy Flowers uitgebracht en staat aan de vooravond van een clubtoer. Vanaf maart gaat hij het hele land door, maar met shows in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam en deze in Eindhoven, wil hij het publiek alvast lekker maken voor al het moois dat nog komt. Ondanks dat er in deze fase ruimte is om te experimenteren, vindt Sigmond het ongepast om de shows te betitelen als try-outs. ‘Dat is iets wat cabaretiers doen’, zegt hij in de enorme kleedkamer van de Brabantse popzaal. ‘Ik noem het liever opwarmconcerten. Kijken wat werkt en wat niet. De grote lijn hebben we wel hoor, maar het zijn de details die een show pakkend en vooral beklijvend maken.’
Blaudzun heeft een uitstekende livereputatie. De zalen van zijn tour zijn al grotendeels uitverkocht en in augustus is hij alweer voor de tweede keer op Lowlands te bewonderen. En dat is vooral knap omdat hij amper airplay heeft gekregen op de Nederlandse radiostations. Landelijke bekendheid verwierf hij zelfs pas via de DWDD Recordings, waar hij op geheel eigen, introverte wijze Shout van Tears For Fears coverde. ‘Eerst was ik de gast met die gekke bril en dat bozige hoofd, maar na De Wereld Draait Door kenden alle schoonmoeders van Nederland mij ineens. Dat is best raar, maar ook wel grappig. Vooral omdat er totaal geen idee of concept achter zit. Ik ben altijd zo geweest en verkleed me alleen als ik een stukje ga fietsen.’ Sigmond is inderdaad een niet alledaagse verschijning. Hij is boomlang, ietwat slungelig, draagt een enorme bril en is altijd volledig in het zwart gestoken. ‘Op een dag was ik helemaal klaar met kleurtjes en heb ik alle gekleurde kleding in de vuilnisbak gegooid. Ik ben vrij rigoureus.’
De kleedkamer van de Effenaar wordt langzaam eigen gemaakt. Sigmond zet twee gitaren in de hoek ‘om wat te pielen’ en er klinkt muziek van Bob Dylan uit de speakers van de zelf meegebrachte iPod-set. Langzaam druppelen de bandleden van Blaudzun binnen. Gitarist en broer Jakob wordt begroet met een innige omhelzing en zoenen. Violiste Judith van der Klip bedankt voor die eer, omdat Sigmond volgens haar ‘wel heel erg verkouden is’. Als de groep met drummer Wouter de Waart, toetsenist Tom Swart, bassist Franc Timmerman en trompettist Laurens Palsgraaf compleet is, knalt er een fles dure champagne open. Een cadeautje van de directie van de popzaal vanwege de uitverkochte show. De groep multi-instrumentalisten die de in Arnhem geboren zanger om zich heen heeft verzameld, oogt niet bepaald als een eenheid. Ieder gaat dan ook zijn eigen gang en eigenlijk klitten alleen Johannes en Jakob veel samen. Maar als het zestal voor de soundcheck het podium opklimt, vormen al de verschillende karakters plots een retestrakke band. Met Sigmond zelf gaat het minder lekker. Hij voelt zich nog steeds beroerd en irriteert zich daarnaast aan een blower die koude lucht over het podium blaast. Dat is slecht voor zijn keel, maar –erger nog- slecht voor de houten instrumenten die daardoor ontstemt kunnen raken. Tot overmaat van ramp krijgt hij tijdens het zingen een elektrische schok van de microfoon. Hij vergaat van de pijn en durft niet meer in de buurt van het onding te komen. Een handschoen, die het uiteinde bedekt, biedt gedurende het restant van de soundcheck soelaas.
Wonderdrankje
Een uur voor de show is er bij de groep muzikanten nog weinig spanning te bespeuren. Sigmond stuurt een tweet de wereld in dat hij op zoek is naar een plopkap, zodat hij niet nogmaals geëlektrocuteerd wordt. Beloning: twee plekken op de gastenlijst deze avond. Nadat de setlist grondig is doorgenomen met de bandleden, tovert Sigmond een wonderdrankje tevoorschijn dat zijn stem ‘door de avond heen moet helpen’. Het goedje ruikt naar spiritus met ammoniak en smaakt gezien het gezicht dat Sigmond trekt als hij een slok neemt hetzelfde. De stoom komt nog net niet zijn oren uit. ‘De dopingcontrole van een wielerkoers kom je hier echt niet mee door’, zegt hij lachend. Sigmond is een echte wielerfreak en maakt dan ook graag fietsgerelateerde grapjes. Zijn artiestennaam is zelfs geïnspireerd op een Deense renner uit de jaren zeventig. ‘Maar eigenlijk vooral omdat Blaudzun gewoon heel tof klinkt hoor.’
Jakob tokkelt ondertussen wat op een van de akoestische gitaren. Hij is de steun en toeverlaat van zijn broer. Sinds 2006 is Jakob de vaste begeleider van Johannes. Hij kiest bewust voor een rol op de achtergrond. ‘Ik voel me niet prettig in de spotlight’, zegt de jongste Sigmond bijna verlegen. ‘Johannes is altijd al de blikvanger van ons tweeën geweest en dat vind ik wel prima.’ Johannes: ‘Het is een gelijkwaardig proces, waarbij ik wel altijd de eindbeslissing heb. We voelen elkaar perfect aan en ik kan me niet voorstellen dat ik dit ooit zonder hem doe. Jakob is de enige die hoort of mijn stem in orde is en of ik niet smokkel tijdens nummers.’ Jakob lachend: ‘Johannes is soms een beetje lui en vergeet daardoor zijn teksten. Dan mompel ik tijdens de show gewoon in dezelfde toon mee. Dat moet je dan ook wel voor elkaar over hebben toch?’
Muisstil
Tijdens het optreden in de kleine zaal van de Effenaar blijkt dat de problemen tijdens de soundcheck een voorbode waren van meer ellende. Want hoewel er op tijd een puike plopkap is gearriveerd, gaat op en rond het podium van alles mis. Het optreden is prima, maar het geluid wordt overschaduwd door krakende vloerkabels en uitvallende microfoons. Toch weet Sigmond het publiek enkele keren muisstil te krijgen. Tijdens het nummer Wolf’s Behind The Glass kun je een speld horen vallen. ‘Dat is echt de kracht van Johannes’, fluistert violiste Van der Klip, die even van het podium is gestapt tijdens dit akoestische pronkstukje. ‘Hij heeft natuurlijk overwicht. Net als een leraar. Als er geroezemoes in de zaal is, gaat hij niet harder zingen, maar doet hij juist een stapje achteruit, zodat hij de zaal dwingt te luisteren. Er zijn maar weinig artiesten die dat voor elkaar krijgen.’ Na één toegift verlaat Blaudzun het podium. De band heeft er flink de pest in. ‘Amateurs’, snauwt Palsgraaf, die eveneens tourmanager is, over het technisch personeel van de popzaal. ‘We gaan in de toekomst echt niet meer het podium op voor we alles zelf gecheckt hebben.’
Sigmond is dan al naar de kleedkamer, die tot overmaat van ramp op slot blijkt te zijn. Hij ziet eruit als een spook en zit met gebogen hoofd op de vloer in de gang te wachten tot iemand de deur openmaakt. Ook vanavond heeft hij weer alles gegeven en dat valt met een ziek lichaam niet mee. Het liefst wil hij zo snel mogelijk zijn bed in. ‘Ach, het was in ieder geval weer legendarisch’, grapt drummer de Waart terwijl hij een broodje smeert. Sigmond haalt zijn duivelslikeur weer tevoorschijn en neemt een nog diepere teug dan voor het concert. ‘Morgen nog één optreden en dan heb ik even vrij. Lekker een paar dagen naar Barcelona. Ik kom daar heel graag. Even mijn kop schoonmaken. Letterlijk en figuurlijk.’
De volgende dag is Sigmond goed geluimd. Hij heeft de hele dag in bed tv liggen kijken en daarmee verse energie aangeboord voor de show in het Rotterdamse Rotown. Het bericht dat Vlaamse zenders zijn nummer Flame On My Head op hun playlist hebben gezet, maakt hem nog gelukkiger. ‘België is wel een land waar we graag willen spelen. In Nederland gaat het nu heel goed, maar ik denk wel dat de lat hoger mag. Ik vind commercieel succes helemaal geen vieze term. Daar ben ik echt niet hypocriet in. Het moet wel altijd artistiek verantwoord blijven, en belangrijker nog: relevant. Een paar jaar gelden ben ik naar de U2 shows geweest in de ArenA. Het was voor mij een soort ritueel afscheid van de band waar ik ooit zo’n fan van was. Nu leek het alsof ik naar een historisch museum zat te kijken. Het lijkt me vreselijk als je zo succesvol wordt, dat je niet meer kunt maken wat je echt wilt. Dat er totaal geen ruimte meer is voor innovatie en ontwikkeling. Ik hoop dat ik dat als artiest nooit hoef mee te maken.’
Doemplaat
Sigmond denkt veel na over de zin en onzin van het bestaan. Dat komt tot uitdrukking in zijn teksten, die niet bepaald over de vreugde des levens gaan. In zijn kinderjaren werd hij geconfronteerd met veel sterfgevallen in zijn omgeving. Iets dat hem vormde tot de pessimistische en soms wat cynische persoon die hij nu is. Heavy Flowers moest dan ook dé doemplaat worden die hij al jaren wilde maken. Het pakte anders uit. ‘Ik ben mateloos gefascineerd door alles wat kapot gaat. De vergankelijkheid der dingen. Andermans ellende kan ik me zo erg aantrekken, dat ik er zelf bijna ongelukkig van word. Toch lukte het me niet om dit thema te tackelen op dit album. Doordat we met de band veel live speelden lukte het me niet meer om de liedjes klein te houden en had ik enorm zin om uptempo songs te schrijven. Muziek is op zo’n moment echt mijn mantra, waarbij ik letterlijk alles van me af kan zingen. Dat komt ook wel uit mijn jeugd. Ik ben opgegroeid in een Pinkstergemeenschap in Arnhem, waar het kerkelijk leven alles bepaalt. Daar heb ik zingen geleerd en vooral de intense religieuze overgave waarmee dit gebeurt. Iets eruit schreeuwen, zonder te schreeuwen, zeg maar. Bij mij is het aan of uit. Een tussenweg ken ik niet. Sommige mensen vinden de manier waarop ik zing aanstellerig, maar daar lig ik niet wakker van. Ik kan gewoon niet anders.’
Nadat de band gezamenlijk heeft gegeten, besluit Sigmond om de setlist iets aan te passen. Another Ghost Rocket kwam in de Effenaar als eerste nummer van de toegift niet helemaal uit de verf, vond hij. Vanavond probeert hij het akoestisch. Sigmond duldt naar eigen zeggen alle adviezen van zijn bandleden, maar hakt in dit soort gevallen altijd zelf de knoop door. ‘Ik beslis alles. Wat dat betreft ben ik echt een dictator. Maar wel een met fluwelen handschoenen hoor. Het allerbelangrijkste is dat we onderling goede afspraken hebben gemaakt. Meestal gaat een groep naar de kloten door artistieke onenigheid, geld of vrouwen. Die eerste twee zaken zijn vooraf goed geregeld en volgens mij zijn we allemaal ook redelijk monogaam.’ Terwijl het nieuwe album van Wilco uit de speakers klinkt, komt Palsgraaf de kleedkamer binnen met een fles dure whisky. Het hokje is ongeveer viermaal zo klein is als die in Eindhoven. De band past er dan ook niet in zijn geheel in, waardoor de meeste op de gang blijven, waar ook gerookt kan worden. Sigmond maalt er niet om en neemt een paar flinke teugen van de Schotse single malt en doet daarna stemoefeningen. Als ook de ‘andere’ toverdrank weer in zijn keel is gegleden, is hij klaar voor de show. Nog een keer knallen en dan een welverdiende break.
Toverdrank
Another Ghost Rocket blijkt in de kleine versie inderdaad veel beter te werken. Rotown is doodstil tijdens deze ballade. Een amateurfotograaf schrikt van de klik van zijn eigen toestel en een barkeeper stopt zelfs met het spoelen van de vuile glazen. ‘Live spelen is echt het allermooiste’, zegt Sigmond terwijl hij na afloop met een handdoek over zijn nek op de bank van de kleedkamer ploft. Dat maakt de muziek en de beleving pas echt compleet. Er wordt weleens gezeurd over een rumoerig publiek, maar daar heb ik nooit last van. Of beter gezegd: ik stoor me er totaal niet aan. Iedere reactie vanuit de zaal vind ik prima. Muziek is emotie en ook een uitlaadklep voor mij en dat mag het publiek natuurlijk ook. Natuurlijk is het wel heel mooi als het zo rustig is. Weet je: schoonheid verdwijnt langzaam. Alles moet altijd maar leuk zijn. Dan is die stilte toch een soort symbolisch schouderklopje. Een zwijgende validatie van je muziek en veel hard werk. Ja, dat doet wel goed.’
John den Braber
Beeld: Annie Hoogendoorn