Sinds enkele jaren heeft ons land weer een bloeiende baancultuur en, vooral dankzij de komst van een demontabele piste, een heus zesdaagsecircuit. In de loop der tijd is wel veel veranderd. Waar in het verleden het gros van de deelnemers een flinke erelijst op de weg kon overleggen, maken nu vooral echte baanspecialisten de dienst uit op het Siberisch hout. Is het baanwielrennen een sport voor specialisten geworden of hebben de wegrenners simpelweg geen interesse meer in de rokerige hal waar het ruikt naar verschaald bier?
Voordat de wielerbaan uit het Sportpaleis Ahoy werd gesloopt, had Rotterdam een zeer succesvolle zesdaagse, die in zijn beste jaren bijna 60.000 mensen trok. Toenmalig assistent-wedstrijdleider van de Rotterdamse ‘Six’ Peter Bonthuis wist zich in die jaren steevast verzekerd van een deelnemersveld, dat niet zoveel verschilde van de gemiddelde wegkoers. Toprenners als Gerrie Knetemann, Jan Raas, Fransesco Moser, Laurent Fignon en Joop Zoetemelk hebben allen in de havenstad hun rondjes gedraaid. “De salarissen van de toprenners waren een stuk lager dan tegenwoordig, dat was de voornaamste reden voor hun deelname. Een gemiddelde beroepsrenner verdient nu meer dan een Tour de France-winnaar in die jaren.” De voormalige rechterhand van Peter Post denkt bovendien dat wegprofs tegenwoordig hun vingers niet graag meer aan een baanoptreden branden. “Er zijn nu erg veel goede baancoureurs, die zich volledig toeleggen op de piste en wegrenners in een zesdaagse tot figuranten bombarderen. Erik Zabel is eigenlijk één van de weinige die in dit geweld overeind blijft. Wegcoureurs trekken echter wel extra toeschouwers, dus dat is een overweging die je als commercieel evenement wel moet meenemen.”
Extra inkomsten
De huidige grote man in het zesdaagsecircuit, Patrick Sercu, denkt ook dat de hogere salarissen van de hedendaagse wegcoureurs een rol spelen. De Belg, zelf de succesvolste zesdaagserenner aller tijden en uitstekend wegrenner, verzorgt het deelnemersveld voor de meeste zesdaagses. “Extra inkomsten waren vroeger dé reden om op de winterbaan te rijden”. Volgens Sercu hadden de renners daardoor een andere instelling. “Toen Rik van Looy wereldkampioen was, reed hij twaalf zesdaagses en ook een renner als Herman van Springel, wilde na 150 koersdagen op de weg, nog graag op de piste rijden. Tom Boonen heeft dit jaar maar drie kermiskoersen gereden, dat zegt veel.” Het grote geld heeft volgens de Sercu de mentaliteit van de huidige generatie renners veranderd. “Toen ik zelf nog koerste, moesten we zelf onze sokken, handschoentjes en tas nog kopen. Nu krijgen de coureurs veel geld voor het gebruiken van producten. We leven nu gewoon in een andere tijd.” Sercu wil best wegvedetten naar de winterbaan halen, maar alleen als ze een toegevoegde waarde zijn voor de koers. “De zesdaagse is geen modeshow. Renners moeten hard rijden, want daar draait het ook in het baanwielrennen om.” Volgens de oud-olympisch kampioen was wedstrijdleider Peter Post ook een reden dat veel toprenners vroeger wel in de zesdaagse verschenen. “Het is een publiek geheim dat Post, als teamchef van de Raleigh-formatie, zijn Nederlandse renners verplichtte om in Ahoy te starten. Buiten Rotterdam en Maastricht reden zijn coureurs nergens. Alleen Knetemann heeft in 1978 enkele keren in het buitenland gereden, maar dat deed hij vooral om zijn regenboogtrui te gelde te maken.” Betaalde training
Betaalde training
“Onzin”, zegt oud-coureur Leo van Vliet. De Westlander reed van 1979 tot 1983 bij de vermaarde Raleigh-ploeg en stond menigmaal aan de start in het Sportpaleis en de Limburgse Eurohal. “Peter Post heeft ons nooit gedwongen om deel te nemen. We wilden juist graag in Rotterdam rijden. Het was voor mij de ideale voorbereiding op het wegseizoen, ik zag het echt als een ‘betaalde training’. Door de zesdaagse ging ik met supervorm het voorjaar in.” Als zesdaagsecoureur was Van Vliet geen hoogvlieger, maar dat kwam volgens de organisator van de Amstel Gold Race vooral door het sterke deelnemersveld. “Ook de echte baanspecialisten waren in die jaren sterke wegrenners. Een man als René Pijnen won gewoon ritten in de Vuelta en reed de Tour de France, dat zie ik bijvoorbeeld Robert Slippens niet doen. Bovendien was het programma langer, we reden soms drie koppelkoersen van een uur op een avond. Aangezien wij in een voorbereidingsperiode op het wegseizoen zaten, hadden we het de eerste dagen moeilijk, daarna was het voor ons wegrenners goed te doen.”
T-mobile-coureur Servais Knaven is zo’n wegrenner. De oud-winnaar van Parijs-Roubaix reed de afgelopen jaren twee zesdaagses, waarin voor hem slechts een bijrol was weggelegd. Als junior en amateur was Knaven nog één van de beste baanrenners ter wereld, maar toen hij in 1994 de overstap naar de profs maakte, verdween zijn baanambitie. “Als er in die jaren ook vier zesdaagses in Nederland waren geweest, had ik waarschijnlijk wel op de piste blijven rijden. Destijds loonde dat gewoon niet ” Volgens Knaven spelen de verbeterde salarissen een minder grote rol dan wordt beweerd. “Het wegseizoen is in de loop der jaren steeds langer geworden. Renners zijn in oktober moe en snakken naar vakantie, niet naar de winterbaan. Bovendien moet je meerdere zesdaagses in een winter rijden, om die mannen echt te kunnen volgen. Omdat de meeste coureurs in januari alweer verplicht op trainingskamp met hun ploeg gaan, schiet de rustperiode er dan bij in.” Knaven heeft veel waardering voor de huidige lichting Nederlandse pistiers. “Een zesdaagse is echt afzien. Ondanks mijn baanachtergrond, kan ik echt niet wat die mannen allemaal kunnen.”
Koude kermis
Waar Knaven in zijn jonge jaren vooral als pistier te boek stond, zagen kenners in Danny Stam aanvankelijk juist een getalenteerd klimmer. Toch koos de Noord-Hollander op 26-jarige leeftijd definitief voor een bestaan als baanrenner en groeide hij uit tot de succesvolste pistier van zijn generatie met tien zesdaagsezeges. “Ik kwam net te kort om echt door te breken op de weg. Ik reed in die tijd al af en toe op de baan, maar toen Robert Slippens mij vroeg om samen met hem te gaan koppelkoersen, besloot ik er vol voor te gaan.” De inwoner van Assendelft vindt het jammer dat weinig wegrenners zich tegenwoordig stortten in een pisteavontuur. “Het zou voor het imago van de baansport goed zijn als de, voor het grote publiek, bekendere namen in de zesdaagses zouden starten. Maar ik vind wel dat ze een meerwaarde voor de wedstrijd moeten hebben. Als een topwegrenner op twintig ronden wordt gereden is dat ook geen reclame. Stam herinnert zich nog goed dat Van Bon en Knaven vijf jaar geleden redelijk onbevangen naar Amsterdam kwamen. “Die kwamen toen echt van een koude kermis thuis, terwijl Léon toch zilver op de olympische puntenkoers van Barcelona had gewonnen, dus aanleg heeft hij wel degelijk. Zesdaagse rijden is echt een vak apart en wordt momenteel gedomineerd door echte specialisten. Niet zo raar, want in het veldrijden gebeurt precies hetzelfde.”
Op dit moment ziet de tweevoudig-winnaar van de Rotterdamse ‘Six’ niet direct een potentiële baantopper rondrijden op de weg, al denkt hij dat Thomas Dekker wel de goede ‘tred’ heeft. “Het is vooral een kwestie van willen. Ik heb het vak ook moeten leren. Als een goede wegrenner een maand investeert, kan hij redelijk meekomen. Natuurlijk speelt de financiële onafhankelijkheid van echte vedetten ook mee. Als ik een miljoen zou verdienen op de baan, zou ik Parijs-Roubaix ook niet willen rijden.” Imponerend gezelschap Het geld heeft door de jaren heen altijd een rol gespeeld. De Rotterdamse wielerjournalist Peter Ouwerkerk heeft in veertig jaar veel dik betaalde sterren in ‘zijn’ zesdaagse zien schitteren of juist falen. “Wegrenners staan zeker niet garant voor sportief succes. In 1979 haalde Peter Post Tourwinnaar Bernard Hinault voor 40.000 gulden naar Rotterdam. Na één jacht stond hij al op zeven ronden en twee dagen later was ‘de das’ alweer terug naar Bretagne.” Ouwerkerk is onder de indruk van de nieuwe lichting baanrenners, die volgens hem de kar van de zesdaagse makkelijk kan trekken. “We hebben nu een imponerend gezelschap Nederlandse pistiers, waar ik persoonlijk graag voor naar Ahoy ga.”
Inponerend gezelschap
De auteur van het boek Op de Rotterdamse latten denkt dat de toeschouwers vooral het evenement waarderen en de zesdaagse niet per se afhankelijk is van de ‘poppetjes’ in het theater. “Natuurlijk kwam er vroeger meer publiek op de zesdaagse af en ik denk zeker dat als Tom Boonen, Paolo Bettini en Thomas Dekker in Rotterdam komen rijden, er zeker tienduizend extra bezoekers op de tribunes zitten. Maar of je dan leukere wedstrijd krijgt? Ik betwijfel het.” Frank Boelé, organisator van de zesdaagses in Rotterdam, Amsterdam en Maastricht, weet precies waar de crux zit. “Wegwielrennen is geen baanwielrennen. Het is een totaal andere discipline. Natuurlijk had je vroeger renners die beide takken van de wielersport goed beheerste, maar dat was in een hele andere tijd. Klassieker-koning Johan Museeuw heeft de Tour de France ook nooit kunnen winnen, terwijl Eddy merckx vroeger alles won.” Volgens Boelé is door specialisatie van de coureurs het niveau in de verschillende wielerdisciplines de laatste jaren omhoog geschoten. “Bruno Risi reed bijvoorbeeld op 22-jarige leeftijd de Ronde van Italie uit, maar heeft later heel bewust voor de baan gekozen.” De directeur van de zesdaagse bv is duidelijk over de invulling van het deelnemersveld in zijn zesdaagses. “Ik vind dat de beste renners moeten rijden. Als een goede wegrenner deze discipline ook in de vingers heeft, is dat meegenomen. Maar ‘grote namen’ zijn zeker niet essentieel voor de kwaliteit van het evenement.”
John den Braber