‘Ik hield mijn eigen schijnwereld in stand’ PETER SCHEP


Samen met Theo Bos won hij in maart op de WK een bronzen medaille op de koppelkoers. Na het toernooi stortte de wereld van Peter Schep (34) in. Een zeurende nekpijn bleek een bottumor. Voor NUsport gaat hij terug naar deze donkere periode in zijn leven.

Ondanks dat er bijna vijfentwintig renners op de piste rondrijden, is het opvallend stil in Omnisport Apeldoorn. Het geluid van voorbij zoevende dichte wielen en de piepjes van de startmachine vormen de soundtrack van deze herfstmorgen. De rust wordt af en toe doorbroken door fanatieke aanmoedigingen van bondscoach Robert Slippens, die de beste pistiers van Nederland met korte kreten naar snelle tijden schreeuwt. Zijn Oranjeploeg is in voorbereiding op het Europees kampioenschap, dat komend weekeinde op diezelfde wielerbaan wordt verreden.
De sprinters duiken als adelaars naar beneden om een snelle ronde te klokken, terwijl de ploegenachtervolgers gedisciplineerd in een ‘treintje’ ronddraaien.

Eén renner zondert zich af langs de balustrade van de houten wielerbaan. Peter Schep trekt zich het liefst terug. De succesvolste baanrenner van zijn generatie scheert minutenlang langs de reclameborden. Boven in de piste is de trapweerstand immers het grootst. Even verschijnt een grimas op zijn gezicht, maar de 34-jarige routinier bijt door. Pijnlijden hoort bij zijn sport. Maar de pijn die hij al een jaar lijdt is veel erger. Zowel mentaal als lichamelijk. Deze zomer werd een bottumor in de nek ontdekt. Op 20 juli werd de tumor operatief verwijderd, waarna het martelende wachten begon: was het goed- of kwaadaardig? “De dokter vertelde dat slechts drie op de tien tumoren op die plaats in het lichaam kwaadaardig zijn. Op dat moment leek dat een geruststellende verhouding, maar later drong het besef pas goed door. ‘Drie op de tien, drie op de tien’ maalde het voortdurend in mijn hoofd. Da’s nog best veel. Mijn leven draaide ineens om een telefoontje met goed of slecht nieuws. Echt freaky.”

‘‘Drie op de tien, drie op de tien’ maalde het voortdurend in mijn hoofd. Da’s nog best veel’

Tussen de operatie en de uitslag van de kweek lagen twee weken. Zolang moest Schep wachten op het ‘verdict’. “Het is een cliché, maar je kunt er op zo’n moment toch niks meer aan veranderen. Ik liet het over me heenkomen. Daarbij had ik de mazzel, dat ik veel pijn had. Dat klinkt gek, maar zo had ik letterlijk en figuurlijk wel wat anders aan mijn hoofd. Ik kon mijn gedachten verzetten. Niemand wist het en dat vond ik wel best. Ik knapte er absoluut niet van op om erover te praten. Vooral mijn ouders hadden het er moeilijk mee, maar bij mij overheerste de onmacht om het met hen te delen. Het enige dat voor mij hielp was met de hond wandelen of ergens op een terrasje zitten met een kopje koffie en een krantje. Zo kon ik ermee dealen. Veel mensen dachten dat ik in die periode nog gewoon aan het trainen en koersen was. Ik vertelde niks en hield mijn eigen schijnwereld in stand.”

Het telefoontje van de arts bleek geruststellend. Schep had geen kwaadaardige cellen in zijn systeem. “Ja, dan valt er wel iets van je af, kan ik je verzekeren. Ik begon direct weer na te denken over wielrennen. Te plannen om half oktober alweer goed in vorm te zijn. Dat zit in mijn systeem als baanrenner. Ik heb jaren niet anders gedaan. Weet je, op het moment dat je met een tumor wordt geconfronteerd is sport ineens relatief. Maar het heeft me er juist ook doorheen gesleept. Ik wil gewoon nog zo graag mooie dingen presteren op de fiets. De operatie heb ik nu een plaatsje gegeven, al moet ik er echt niet aan denken dat ik nog eens onder het mes zou moeten. Waar ik uiteindelijk het meest van schrok, is de wetenschap dat zoiets in je lichaam kan groeien, terwijl je zo sportief en gezond bezig bent. Het feit dat ziek worden blijkbaar pure willekeur is, beangstigt me achteraf nog het meest.”

Harnas
Het woord kanker valt niet één keer tijdens zijn relaas over de meest bizarre periode in zijn leven. “Feitelijk is een tumor niets meer dan een celstructuur, die zich verkeerd vermenigvuldigt. Dat is alles.” Schep praat er klinisch over, zoals hij alles gemakkelijk in perspectief lijkt te plaatsen. Maar schijn bedriegt. Het is het harnas dat hij ook als wielrenner veelvuldig aantrok. Om zich te weren tegen de torenhoge verwachtingen. Als onbevangen talent van de Rabobank-beloftenploeg hoorde hij geregeld dat hij ‘zoveel beter kan’ en dat het hem op de beslissende momenten aan karakter en doorzettingsvermogen ontbrak. Kritiek die hem raakte, maar ook veranderde. Voor Schep werd ‘niet zeuren, maar trappen’ een levensmotto. Een overlevingstactiek die hem nu lang van een echte oplossing weghield.

“Vrijwel niemand wist wat er precies met mij aan de hand was,” vertelt hij terugkijkend op de periode voor de operatie. “Ik had maanden pijn in mijn nek en veel last van uitstraling naar mijn arm. Omdat ik in het voorjaar 2010 hard was gevallen, dacht ik dat dit de nasleep van een oude schouderblessure was. Ik heb een beschadigde schouderkop en een plaatje op mijn sleutelbeen, het kon overal vandaan komen. De fysiotherapeuten konden het niet lokaliseren. Ik probeerde er niet teveel aandacht aan te schenken. Tot het moment aanbrak dat ik niet meer kon slapen en fietsen zonder zware pijnstillers. Een flinke hobbel aan het begin van een wegtraining en ik kon krimpend van de pijn direct weer naar huis. Als je erover nadenkt is het ongelofelijk dat ik zo de hele winter zesdaagsen en wereldbekers heb gereden.”

Schep eindigde op het WK in Apeldoorn nog als derde op de koppelkoers.

Schep ging door het leven als een zombie, gedreven door het grotere doel. In maart waren de wereldkampioenschappen baanwielrennen in Apeldoorn. Het eerste mondiale titeltoernooi in ons land sinds 1979. Hij wilde met Theo Bos wereldkampioen koppelkoers worden en dus verbeet hij de helse pijnen. Schep stelde een uitgebreid onderzoek uit en probeerde met fysiotherapie de schade te beperken. “Vlak voor de WK kon ik vrijwel niets meer. De medicijnen gaven steeds korter verlichting en met het aflossen verging ik van de pijn. Ik besloot na het toernooi naar een specialist te gaan om uit te zoeken wat er nou echt aan de hand was. De onderste steen moest boven, wat de consequentie ook zou zijn. Zo kon het niet langer.”

‘Eén verkeerde handeling en vitale zenuwen kunnen geraakt worden. Je kunt zelfs in een rolstoel belanden’

Schep zocht zijn heil in een kliniek in Ede, waar een radioloog al snel het verontrustende nieuws bracht. “Aanvankelijk hoopten de artsen nog dat het weggebrand kon worden. Maar aangezien er heel veel spieren en zenuwen op die plek zitten, werd die optie uitgesloten. Er moest geopereerd worden en dat bleek een uiterst gecompliceerde ingreep. In je darmen knippen ze simpelweg een stuk weg en dan moet het probleem verholpen zijn. Bij een bottumor in wervels ligt dat anders. Eén verkeerde handeling en vitale zenuwen kunnen geraakt worden. Je kunt zelfs in een rolstoel belanden.”

Het herstel is nog in volle gang. De ‘ziekte’ is een gepasseerd station, zijn blik is op de toekomst gericht. Schep praat er nog altijd niet graag over, fietst de frustratie liever van zich af. Maar waarom eigenlijk? “Ik heb er een hekel aan dit als excuus te gebruiken. Bovendien; op mijn leeftijd is het als wielrenner lastiger om na een beenbreuk terug op niveau te komen dan na een verwijderde tumor.”

Wereldkampioen
Schep moet door de zware operatie van ver komen, maar hij jaagt nog altijd een droom na. “Zo’n narcose doet een sporter geen goed. Daarnaast ging de operatiewond flink ontsteken, waardoor ik aan de zwaarste antibioticakuur moest om van de infectie af te komen. Al met al heb ik bijna twee maanden niets kunnen doen. Het is dus extra hard knokken om terug te komen, maar dat vind ik niet erg. In mijn directe omgeving zag ik onlangs dat het ook zoveel slechter kan aflopen. Ik fiets nu alweer. Alleen dat feit vind ik al best bizar.”

De beste puntenkoersrenner van de wereld in 2006.

In de collectie medailles van Schep ontbreekt een Olympische, ondanks vier deelnames. Ook in Londen is de kans daarop klein. Schep heeft een nominatie voor de ploegenachtervolging op zak, maar zijn favoriete onderdelen punten- en koppelkoers staan niet meer op het programma. Schep geeft de voorkeur aan het wereldkampioenschap dat enkele maanden voor Londen in Perth, Australië is. “Een medaille op het WK is voor mij meer waard dan een zesde plaats op de Olympische Spelen. Dus moet ik kiezen. Ik wil er best tijd in steken, maar het mag het WK-traject niet in de weg staan. Op de ploegenachtervolging maken we zeker geen kans op een medaille, laat staan op de titel. Mijn droom is nog eens wereldkampioen te worden. Vooral omdat ik er dan meer plezier van ga hebben dan vijf jaar terug. Toen was ik een dag later alweer met de volgende koers bezig. Als ik nog eens de regenboogtrui kan pakken, ga ik daar iedere dag van genieten.”

Edith Bosch
In de moeilijkste periode van zijn leven kon Schep niet terugvallen op de vrouw die zes jaar lang zijn steun en toeverlaat was. Net toen de fysieke klachten zich openbaarden, liep zijn relatie met topjudoka Edith Bosch eind vorig jaar op de klippen. Het ging niet langer tussen de twee tegenpolen. De tweevoudig Olympisch medaille winnares speelde voor de breuk een grote rol in het leven en de carrière van Schep, hij leek getrouwd met z’n mental coach. De wielerloopbaan van Schep is op te splitsen in de periode voor en na hun eerste kus. “Mijn relatie met haar was in het begin heel confronterend. De vijfde plek op de ploegenachtervolging tijdens de Spelen van Athene was een bevestiging van wat ik sportief in mijn mars had. Mijn onzekerheid en faalangst blokkeerden een doorbraak. Edith knalde daar hard in, zij heeft het bij me weggenomen. Ze leerde me door een muur te gaan als dat nodig is. En dat je niet iedereen te vriend hoeft te houden. Zowel in de sport als privé. ‘Wat wil je nou eigenlijk echt?’, vroeg ze dan. Edith is keihard en dat botste thuis natuurlijk ook vaak. Haar emotionele sportbenadering was een openbaring voor mij. Zonder haar zou ik veel minder hebben gepresteerd.”

‘Op de ploegenachtervolging maken we zeker geen kans op een medaille, laat staan op de titel’

Wielerkenners bekruipt nog altijd het gevoel dat Schep het ergens heeft laten liggen. Zijn talent nooit volledig heeft benut. “Mensen vragen me weleens of ik niet liever een goede wegwielrenner was geworden, maar dat wereldje had me echt niet gepast. Als ik zie hoe jongens als Theo Bos of Karsten Kroon onder de loep liggen, dat zou ik echt niet trekken. Zit ik samen met Theo op een terras en willen allerlei mensen met hem op de foto. Dan denk ik ‘man laat ons met rust’.”

Op de wielerbaan heeft Schep zijn geluk gevonden. Hij wil nog een paar jaar door, maar heeft ook al een trainersdiploma op zak. Binnen zijn ploeg houdt hij zich bezig met de coaching van jonge talenten. Hij vindt het allemaal wel best zo, ver van het grote podium. “Ik ben blij dat ik een specialisatie heb gevonden, die bij me past. Ik houd van de prestatiedruk, maar niet om in de schijnwerpers te staan. Ik ben echt op mijn plek hier op de wielerbaan. Dat zal ook wel altijd zo blijven.”

Peter Schep
8 maart 1977, Lopik
Hoogtepunten
2005
Zilver WK ploegenachtervolging Los Angeles
2006
WK puntenkoers Bordeaux
2007
Zilver WK koppelkoers Palma de Mallorca (Danny Stam)
2008
Brons WK puntenkoers Manchester
2010
Zilver WK puntenkoers Kopenhagen
2011
Brons WK koppelkoers Apeldoorn (Theo Bos)
Overig
Vier keer deelnemer Olympische Spelen (1996, 2000, 2004, 2008)
Drie overwinningen in zesdaagsen (2006, 2009 en 2010)

‘Er is plek voor Peter’
Bondscoach Robert Slippens ziet in Peter Schep een toekomstig trainer. De Noord-Hollander denkt dat hij zelfs een toegevoegde waarde voor zijn eigen begeleidingsteam zou kunnen zijn. “Peter houdt zich heel veel bezig met de jonge gasten in onze groep. Hij vindt het ook echt leuk, dat kun je zien. Daarnaast weet hij heel veel van trainingsvormen en voeding. In mijn ideaalplaatje is zeker plek voor hem bij de nationale selectie, mocht hij stoppen met koersen.”

John den Braber

 

Laat een bericht achter